In en om een grote poel wonen veel dieren, zoals libellen, kevers, salamanders, watervlooien en vissen. Natuurlijk woonden er ook kikkers, grote groene kikkers die kwaakten alsof hun leven ervan afhing. De familie Kwaak woonde er al zolang ze zich konden herinneren. Pa en Ma Kwaak hadden veel kinderen, want zoals je weet krijgen kikkers er altijd heel wat! Eén ding was zeker: ze hoefden niet naar de kwaakschool, want kwaken konden ze als de beste. Op eentje na, en dat was Kwek. Kwek kon niet kwaken en ook niet kwekken, maar Kwek piepte… Huh? Ja, jullie lezen het goed: Kwek kon alleen maar piepen!
Ook had Kwek een andere kleur dan de andere kinderen; Kwek was ietsjes bruiner. Maar dat was al eens eerder voorgekomen in de familie, dus daar viel niemand over. Het gepiep van Kwek viel echter wel op en werd al snel het gesprek van de dag. Een kikker die niet kon kwaken, dat was toch wel een schande! Pa en Ma Kwaak hielden veel van Kwek en van al hun andere kinderen, maar toch schaamden ze zich een beetje. Zover ze wisten, was het nog nooit voorgekomen in de familie dat een kikker niet kon kwaken.
Kwek kreeg van dit alles in het begin niet veel mee; hij was druk met spelen in de poel en was een ster in het maken van een bommetje. Hij maakte altijd de grootste plons en achterover het water in duiken kon hij ook als de beste. Toen de jonge kikkers allemaal konden kwaken, kwam er bij Kwek alleen maar een piepgeluid: “pieeeeeppp!” Het was alsof iemand met nagels over een schoolbord ging; de rillingen liepen over je lijf. Lang kon het niet duren of Kwek werd uitgelachen. In het begin lachte hij nog mee, maar na een tijdje niet meer. Toen ze hem ook nog gingen pesten, was het leuke leventje van Kwek helemaal voorbij.
Kwek trok zich steeds meer terug: geen bommetje meer maken met zijn vriendjes, geen wedstrijdje zwemmen, helemaal niets meer van die leuke dingen. Kwek werd nog wat bruiner met wat groen en groeide uit tot een flinke kikker. Zo nu en dan ging Kwek op een stil plekje oefenen met kwaken. Ook nu wilde Kwek weer gaan oefenen; het was alweer een paar weken geleden. Hij zocht een rustig plekje op, niet ver van de poel. De meeste kikkers zaten aan de andere kant van de poel te kwaken. “Ik hoef niet zo ver te gaan, ze horen mijn piepgeluidje toch niet,” dacht Kwek. Hij was best wel een beetje zielig.
Kwek schraapte zijn keeltje en haalde diep adem, heel erg diep kun je wel zeggen. En toen, als een donderslag bij heldere hemel, kwam er een brullend geluid uit het bekje van Kwek. Echt niet normaal, wat een geluid had Kwek laten horen! Na dat bulderende geluid was het muisstil geworden. Alle kikkers waren van schrik in het water gesprongen en durfden pas na een tijdje weer hun neusje boven het wateroppervlak uit te steken. Alle vogels hielden hun snavel dicht en er hing een serene stilte. Toen alle dieren van de schrik waren bekomen, begonnen ze allemaal als gekken te kwekken, te kwaken of wat dan ook. “Wat was dat? Ooh, wat ben ik geschrokken… ik tril helemaal…” en nog veel meer van dit soort opmerkingen. Niemand wist wat er gebeurd was; de hemel was helderblauw, er was geen wolkje te bekennen.
Ook Kwek was geschrokken. “Was ik dat?” Ja, dat was Kwek, en hij was er stil van geworden. Een half uurtje later zat hij nog beduusd voor zich uit te staren. Nog een keer kwaken of brullen durfde Kwek niet aan. Morgen zou hij het heel voorzichtig nog wel een keertje proberen. De dagen erna probeerde Kwek natuurlijk weer te kwaken, wel heel zachtjes natuurlijk, maar elke keer klonk het als de brul van een leeuw. Maar hij was geen leeuw, hij was een kikker. Oké, wel een beetje anders dan alle andere kikkers, maar daar kon hij niet mee zitten. Dat hij niet kan kwaken, vindt Kwek veel erger… een kikker die niet kan kwaken, dat is een grote schande in kikkerland, vond hij. Pa en Ma Kwaak hielden van hun kind en zeiden elke keer weer dat het niet erg was. En nu was het piepen in een bulderend geluid veranderd; misschien kwam zijn kwaak-stem ook nog wel.
Enkele dagen later besloot Kwek maar weer te gaan zwemmen in de grote poel. Hij had zich nu lang genoeg verstopt, vond hij. Met een flinke sprong dook hij in het heerlijke water en zwom daarna richting het midden van de poel. Daar lag een klein eilandje. Daar kon hij lekker in de zon liggen en dromen, dromen dat hij de beste kwaker van de poel is. Na een uurtje in de zon te hebben gelegen, vond Kwek het welletjes. Nog een rondje om het eiland en dan naar huis. In een rustig tempo zwom hij om het eiland. Eigenlijk kwam hij nooit aan de achterzijde van het eiland; eigenlijk mocht hij daar niet komen van zijn ouders. Maar Kwek voelde zich sterk en zo’n rondje om het eiland zou hem goed doen. Na een week verstoppertje spelen moest hij zijn energie even kwijt. Het eiland midden in de poel was groter dan Kwek had gedacht; het duurde vrij lang voor hij aan de achterzijde was aangekomen.
Hij besloot even op het eiland uit te rusten. “Pffff, dat was een eind,” mompelde hij in zichzelf. Hij zat nog maar net op het eiland, of er keken al een paar nieuwsgierige oogjes hem aan. “Wie ben jij? Ik ken jou niet,” zei een vreemde kikker die dichterbij was gesprongen. Kwek staarde de andere kikker verbaasd aan en vertelde toen dat zijn naam Kwek was. “Ik ben Kwek Kwaak en ik woon aan de andere kant van de poel.” “En ik ben Beb Brull, de brulkikker.” “Een brulkikker?” vroeg Kwek. “Daar heb ik nog nooit van gehoord!” “Wij brulkikkers kunnen niet kwaken! En we zijn veel knapper dan andere kikkers. Jij lijkt ook op een brulkikker, Kwek!” “Wie, ik?” was het verbaasde antwoord van Kwek. “Ja, jij!” Kwek dacht even na. Hij kon ook niet kwaken en de laatste keren was het ook een brullend geluid. “Laat maar eens horen hoe dat dan klinkt,” vroeg Kwek. “Sorry Kwek, dat gaat niet. Ik ben een meisjes brulkikker en wij meisjes kunnen niet brullen. Maar mijn broertje wel! Bully!” Even later kwam er een kikker aan springen. “Bully, kun jij een keer brullen?” vroeg ze aan hem. Even later vulde het bulderende geluid van een brulkikker de lucht; het was echt een angstaanjagend geluid als je het niet kende. “Maar… ehm… dat kan ik ook!” Op dat moment kwam Kwek erachter dat hij ook een brulkikker was en vele vragen schoten door zijn hoofd. Zijn vader en moeder waren toch groene kikkers…
Stil zat Kwek voor zich uit te staren. Hij moest het allemaal verwerken, maar nu hij het wist, vielen er toch wel wat puzzelstukjes op hun plaats.
Om een lang verhaal kort te houden…
Beb ging samen met Kwek mee naar de ouders van Kwek. Het bleek dat Kwek als kikkervisje was komen aanzwemmen en dat Pa en Ma Kwaak hem hadden opgevoed alsof het hun eigen kind was. Beb en Kwek werden een stelletje en gingen op het eiland wonen.
Een jaar later kregen ze zelf ook kinderen. Regelmatig gingen ze op bezoek bij Pa en Ma Kwaak, en voor de rest leefden ze nog lang en gelukkig, zoals dat in een verhaaltje nu eenmaal gaat.
