Teun de Stroper

Teun de stroper

De ochtend was nog jong en het duister hing als een sluier over het land toen Teun zich langs de bosrand haastte, richting de grote vijver die diep verscholen lag op het land van de Baron.
Elke stap bracht hem dichter bij verboden gebied, waar de mist als een deken over het gras lag en de stilte werd doorbroken door het zachte ritselen van bladeren.
Teun kende het terrein als zijn broekzak, maar zijn hart klopte sneller dan normaal. De straffen waren streng, en de Baron stond bekend om zijn meedogenloosheid. Toch was Teun niet bang, hij was namelijk een meester in het stropen, sluw en altijd op zijn hoede.
Teun had zijn fuiken uitgezet, zorgvuldig verborgen op plekken waar alleen hij ze kon vinden. Het weer was perfect, de lucht vochtig en stil, en Teun voelde dat de buit groot kon zijn.
Hij vond dat de natuur van iedereen was, niet alleen van de Baron. “Iedereen heeft recht om te oogsten,” dacht hij, terwijl hij zich een weg baande door het hoge gras.
Op het land wemelde het van konijnen, hazen en fazanten. Teun verkocht zijn vangst aan Kobus, de waard van een vervallen hotelletje waar je voor weinig geld goed kon eten.
Kobus was niet alleen een vaste klant, maar ook een vriend. Samen vormden ze een onzichtbaar netwerk van wild en handel.
In tegenstelling tot wat men dacht, gebruikte Teun geen wrede strikken. Hij jaagde met fretjes, kleine roofdiertjes die hij bij de ingang van de konijnenburcht liet loslaten.
De konijnen vluchtten in paniek, maar kwamen in de netten terecht waar Teun ze snel en humaan doodde. Soms ging hij met zijn buks en een speciale lamp op pad, ’s nachts, als het wild verblind werd door het felle licht.
Stropen was verboden, en de gevangenisstraf kon hoog oplopen, maar Teun was altijd alert en liet zich niet zomaar pakken. Zeker niet met zo’n domme veldwachter in de buurt – dat maakte het hem alleen maar makkelijker.

Het jachtseizoen naderde en de Baron bereidde zich voor op de jaarlijkse jachtpartij, een traditie vol prestige en macht. Het was essentieel dat er genoeg wild was, en de jachtopziener moest daarvoor zorgen.
In de winter werd er bijgevoerd, het terrein onderhouden, vossen opgejaagd en afgeschoten. Fazanten en patrijzen werden gefokt en vlak voor de jacht uitgezet, zodat het succes verzekerd was. Na afloop volgde een uitbundig feest, waar de Baron zich liet overladen met complimenten.
De Baron bezat uitgestrekte landerijen, bossen, heidevelden en een groot meer, ooit gebruikt voor de steenindustrie. Nu wemelde het er van de vis, vooral paling, beroemd om zijn smaak. Op de oever lag een roeiboot, klaar voor gebruik.
Binnenkort zou de Baron weer op jacht gaan, met een gezelschap dat hunkerde naar avontuur. Berend, de jachtopziener, kreeg de opdracht om de beste plekken voor wild te vinden. Maar Berend was liever lui dan moe; zijn ware passie was vissen.
Die ochtend was Berend met het verkeerde been uit bed gestapt.
Alles ging mis: hij verbrandde zijn vinger, het brood was op, de koffie belandde op zijn broek, en zijn vrouw werd wakker van zijn gevloek. Toch trok hij eropuit, op zoek naar paling.
Urenlang zat hij aan het meer, maar geen vis hapte. Gefrustreerd besloot hij zijn dobber te verplaatsen, en toen hij de hengel ophaalde, voelde hij weerstand.
Geen vis, maar een fuik – een grote, zware fuik. Berend werd woest. “Die smerige stroper!” schreeuwde hij, terwijl hij de gevangen palingen vrijliet en de fuik meenam om later te verbranden.

Teun had alles van een afstand gezien. Zijn zesde zintuig waarschuwde hem voor onraad. Toen Berend met de fuik onder de arm naar huis liep, volgde Teun hem voorzichtig.
Bij het huisje van Berend wachtte hij zijn kans af. Zodra Berend even niet oplette, greep Teun zijn fuik terug en verdween als een schaduw in de ochtendmist.
Berend was buiten zichzelf van woede toen hij de fuik kwijt was. Hij zag het als pure diefstal en besloot zijn gal te spuwen bij de Baron.
De Baron luisterde aandachtig naar Berends verhaal. Als er iets was wat hij haatte, waren het stropers. Hij riep veldwachter Slim bij zich en eiste dat er paal en perk aan de stroperij werd gesteld. Slim, zeker niet de slimste, maar wel vasthoudend, beloofde alles op alles te zetten om de stroper te pakken. Maar stropers zijn slim en gehaaid, en Teun was de sluwste van allemaal.
De ochtend na het gesprek met de Baron is veldwachter Slim al vroeg op pad.
Gewapend met een verrekijker en zijn jachtgeweer sluipt hij door het bos, vastbesloten om Teun eindelijk te betrappen. Maar Teun is hem te slim af. Hij heeft overal in het bos kleine tekens achtergelaten: een gebroken tak hier, een steentje daar.
Slim denkt dat hij Teun op het spoor is, maar telkens als hij een fuik vindt, is die leeg of al weggehaald.

Ondertussen bereidt de Baron zijn jaarlijkse jacht voor. De spanning loopt op: er moet genoeg wild zijn voor zijn gasten, maar door Teuns activiteiten is het onzeker of de jacht een succes wordt. Berend, nog steeds boos over de gestolen fuik, probeert Slim te helpen, maar zijn pogingen leveren vooral komische situaties op.
Zo belandt hij per ongeluk met zijn been in een konijnenhol en valt hij voorover met zijn snuitje in de drek.
Kobus krijgt bezoek van Slim, die hem ondervraagt over Teun. Kobus speelt de onschuldige waard, maar in het geheim waarschuwt hij Teun voor de plannen van Slim. En dat is natuurlijk weer in het voordeel van Teun.
Teun heeft wat trucjes bedacht om te voorkomen dat de schietgrage Baron met zijn gevolg veel voor hun vizier krijgen, trucjes die ik hier natuurlijk niet ga verklappen, ik wil namelijk geen boze Teun!

Aan het eind van de dag is de Baron woedend want er is nauwelijks wild geschoten. Slim krijgt overal de schuld van, Teun en Kobus die dat een paar dagen later horen van een boer uit de omgeving, genieten stiekem van hun overwinning.
De dochter van de Baron, die alles heeft gezien, besluit haar vader te confronteren met zijn hebzucht en pleit voor meer respect voor de natuur.

IKKE

 

 

IKKE