De grote oehoe van Hardenberg

 

Hardenberg is een stad waar omheen enorm veel verhalen leven. En n van die verhalen,
dat is het verhaal van Hendrik Jan Brunink.

Het zal ongeveer in 1936 geweest zijn. De Vierde Wijkweg was toen nog een doorlopende weg.
Tegenwoordig is het een doodlopende weg, maar toen liep die weg achter een boerderij langs en ging dan door naar de Elfde Wijk.

En aan de overkant van die weg, daar was een schuur. En in die boerderij daar woonde toen een hele gelovige boer.
Die had ook een hele gelovige knecht. En op een dag loopt die knecht die schuur in, het is een beetje donker,
en hij ziet boven bij de hanenbalken twee grote rollende gele ogen.
Hij holt naar buiten en hij zegt tegen de boer: "Boer, er zit een duvel in de schuur!" -
"Wat?" zegt die boer, loopt ook de schuur in, kijkt omhoog, ziet daar die rollende gele ogen,
hoort wat geblaas en gesis, komt weer naar buiten en zegt: "Je hebt gelijk. D'r zit een duvel in de schuur!"

In een mum van tijd staan alle boeren uit de omgeving op het erf, maar niemand durft die schuur in.
Ze zeggen: "Wat moeten we nou doen?" en dan zeggen ze: "Weet je wat? We halen Hendrik Jan Brunink erbij."

Dat is de sterkste man van Hardenberg. Hij is 21 en heeft zulke grote handen dat als zijn moeder zegt:
"Hendrik Jan, neem eens wat eieren mee uit de kelder," dan heeft hij op n hand, tien grote eieren.
Hendrik Jan Brunink is niet bang, die komt en die pakt een ladder, loopt de schuur in,
zet die ladder tegen de hanenbalken en hij klimt omhoog. Maar hij vertelde mij, hij zei:
"Toen ik halverwege was, toen zag ik daar die rollende gele ogen,
ik hoorde geblaas en gesis en geklapper van vleugels." Hij zegt: "De knien begonnen mij te knikken.
Het zweet brak mij uit." En hij ging de ladder weer af. En toen kwam hij buiten en de mensen zeiden:
"Jongens, als Hendrik Jan Brunink er niks mee kan, dan kan niemand d'r wat mee!"

En toen hebben ze daar de pastoor gehaald uit Slagharen! Die rooms-katholieken die konden er wat meer mee,
maar die pastoor die begon d'r helemaal niet aan, die deed het niet.
En toen hebben ze de burgemeester gehaald uit Hardenberg. En de burgemeester zei:
"Ik weet het goed gemaakt. Die schuur die verbranden wij! Bij alle vier de hoeken!
" En dat hebben ze gedaan. Ze hebben de schuur verbrand.
Bij alle vier de hoeken is hij brand gestoken en de schuur is opgebrand met duvel en al!

En toen kreeg die boer geld om die schuur opnieuw te bouwen, maar dat heeft hij helemaal niet gedaan.
Hij heeft de boel verkocht en hij is weggegaan.
Er kwamen drie broers wonen en die hebben er een tijdje gewoond en toen werd het verkocht aan een mevrouw, die,
zodra ze in dat huis kwam wonen, helemaal gek was van uilen. Het enige wat ze deed was uilen verzamelen.
Ze had er wel driehonderd! Opgezette uilen! Langs planken onder het plafond, daar stonden die uilen.

Dat komt door die uil die in de schuur gezeten heeft. Want daar is uiteindelijk iedereen van overtuigd.
Dat het een hele grote oehoe was daar in de schuur. Maar zij? Zij wilde er niks van weten.
Maar Hendrik Jan Brunink die is er werkelijk bijna beroemd mee geworden: hij en die grote oehoe.


Bron: Sagen uit Overijsel